In 1981 bereidt Rudi Koopmans zich in een Rotterdamse sportschool voor op zijn volgende Europese titelgevecht. Maar achter de kampioen schu...
In 1981 bereidt Rudi Koopmans zich in een Rotterdamse sportschool voor op zijn volgende Europese titelgevecht. Maar achter de kampioen schuilt nog altijd de tengere jongen uit Leeuwarden die op straat leerde vechten. Een verhaal over ambitie, tegenslag, haat en nijd in de bokswereld en de vraag wat er van een bokser overblijft wanneer hij niet meer bokst.
Rotterdam, 1981. In een sportschool aan de Mathenesserlaan bereidt Rudi Koopmans zich voor op zijn volgende gevecht om de Europese titel. Hij is inmiddels een gevestigde naam in de internationale bokswereld. Maar achter de kampioen schuilt nog altijd de jongen uit Leeuwarden die op straat leerde vechten. Een jongen die jarenlang moest knokken om überhaupt een kans op een titel te krijgen. En die onderweg ontdekte dat de hardste klappen niet altijd in de ring vallen.
De kampioen van de Mathenesserlaan
In sportschool Geboker aan de Rotterdamse Mathenesserlaan wordt hard gewerkt. Het is 1981 en Rudi Koopmans bereidt zich voor op zijn volgende titelverdediging. Op 5 oktober wacht Fred Serres, een nieuwe uitdager voor de Europese kampioen in het halfzwaargewicht.
Koopmans kent het ritueel inmiddels. De trainingen, de sparringpartijen, het afzien en de voortdurende discipline die nodig is om op het hoogste niveau te blijven boksen.
Het is het leven dat hij jarenlang heeft nagejaagd. Maar het is ook een leven waarvan hij steeds moeilijker afstand kan nemen.
Wie Koopmans hier aan het werk ziet, ziet een zelfbewuste bokser. Een man die weet wat hij kan, die gewend is zijn tegenstanders onder druk te zetten en die zich weinig aantrekt van wat anderen over hem zeggen.
Dat zelfvertrouwen heeft hij niet cadeau gekregen. Om te begrijpen hoe Rudi Koopmans hier terecht is gekomen, moet je terug naar Leeuwarden. Naar een tengere jongen die vaak tegenover grotere en oudere jongens stond. En die al vroeg ontdekte dat je soms moet vechten om overeind te blijven.
Het onderdeurtje uit Leeuwarden
Rudi Koopmans groeit op als een van de zes kinderen van een zeeman. Zijn vader verdient zijn brood op het water, maar de jonge Rudi voelt weinig voor een bestaan op zee.
Hij is elf jaar wanneer hij zich aanmeldt bij boksvereniging Frisia. De bokssport is hem dan niet vreemd. Op straat heeft hij al de nodige ervaring opgedaan.
Hij is klein en tenger, vertelt hij later. Het onderdeurtje van de buurt, dat regelmatig tegenover jongens staat die minstens drie jaar ouder zijn. Vechten is voor hem aanvankelijk geen sport, maar een manier om zich staande te houden.
Bij Frisia ontdekt hij dat er ook regels bestaan voor het gebruik van zijn vuisten. En dat hij talent heeft. Het boksen gaat hem goed af. Hij leert niet alleen harder slaan, maar vooral beter bewegen, verdedigen en zijn tegenstander lezen.
De jonge Fries blijkt over een opmerkelijke combinatie van kracht, doorzettingsvermogen en zelfvertrouwen te beschikken. Hij zal uiteindelijk 108 amateurpartijen boksen, waarvan hij er volgens zijn eigen opgave 96 wint. Drie keer wordt hij Nederlands kampioen.
Ondertussen moet er gewoon gewerkt worden.
Koopmans wordt chauffeur. Eerst op een vrachtwagen, later verhuist hij naar Amsterdam, waar hij in het taxibedrijf zijn geld verdient. Maar het boksen blijft zijn grote ambitie.
Een toekomst in Duitsland
In 1971 neemt Koopmans deel aan de Europese amateurkampioenschappen in Madrid. Hij bereikt de kwartfinales, waarin hij verliest van een Finse tegenstander die een jaar later op de Olympische Spelen zal winnen.
Koopmans is ervan overtuigd dat hij in Madrid tekort is gedaan. Hij vermoedt dat de Oost-Europese invloed binnen de amateurbokswereld een rol heeft gespeeld bij zijn nederlaag. Maar zijn prestaties blijven niet onopgemerkt.
Vertegenwoordigers van de Duitse Bundesligaclub Mülheim benaderen hem met de vraag of hij voor hun vereniging wil komen boksen. Het is een aantrekkelijk voorstel. In Duitsland kan hij op hoog niveau wedstrijden blijven boksen en ontvangt hij bovendien een behoorlijke onkostenvergoeding.
Twee jaar lang gaat dat goed.
Tot de Nederlandse Boksbond hem schorst wegens vermeende overtreding van de amateurbepalingen. Koopmans is woedend. Hij heeft nooit de bedoeling gehad beroepsbokser te worden, maar ziet uiteindelijk geen andere uitweg.
In januari 1973 maakt hij alsnog de overstap naar de professionals. Een beslissing die zijn verdere leven zal bepalen.
De Hollandse Bomber
In Duitsland krijgt Koopmans al snel een bijnaam: der holländische Bomber.
De Fries heeft een reputatie opgebouwd als een harde, aanvallende bokser. Een man die zijn tegenstanders weinig ruimte geeft en die over voldoende stootkracht beschikt om een partij voortijdig te beëindigen.
Zijn eerste manager is Fritz Wiene. Een aardige man, vindt Koopmans, maar niet iemand die zijn carrière werkelijk verder kan brengen. Wiene is inmiddels zestig jaar en heeft weinig behoefte aan de drukte die bij het begeleiden van een ambitieuze beroepsbokser hoort.
Via hem komt Koopmans in contact met Eckhard Dagge. De Duitser is op dat moment Europees kampioen en zal later ook de wereldtitel veroveren.
Koopmans wordt gevraagd als sparringpartner. Hij beschouwt dat als een grote eer. Een kampioen van het niveau van Dagge kiest immers niet zomaar iemand om mee te trainen. Een sparringpartner moet voldoende kwaliteit hebben om hem daadwerkelijk iets te leren.
En Koopmans wil vooral leren.
Hij heeft altijd gezocht naar mensen die hem beter kunnen maken. In Leeuwarden was dat onder anderen zijn stadgenoot Wjki Akkerman, een bokser tegen wie hij jarenlang heeft opgekeken. Ook Leo Beenhakker, destijds werkzaam bij Cambuur, maakt indruk op hem als conditietrainer.
Beenhakker weet hem tijdens trainingen volledig uit te putten. Voor Koopmans wordt het een prestigezaak om nooit te laten merken hoe zwaar hij het heeft. Die houding zal hem zijn hele carrière blijven kenmerken.
De hand die zijn carrière bijna beëindigt
In de zomer van 1973 gaat het mis.
Tijdens een gevecht in Oostenrijk breekt Koopmans een botje in zijn hand wanneer hij zijn tegenstander raakt.
Aanvankelijk lijkt de blessure niet ernstig. Maar de pijn blijft terugkomen. In Nederland kunnen artsen op de röntgenfoto's geen duidelijke oorzaak vinden. Koopmans blijft sukkelen en ziet zijn carrière steeds verder in gevaar komen.
Meer dan een jaar lang heeft hij last van zijn hand. Uiteindelijk komt hij terecht bij een Duitse specialist die besluit tot een ingrijpende operatie. De arts verwijdert een stukje bot uit zijn heup en plaatst dat in de beschadigde hand. De ingreep slaagt.
Maar een maand later komt de arts bij een verkeersongeluk in Egypte om het leven.
Pas wanneer Koopmans het bericht in de Duitse krant Bild leest, beseft hij hoe bijzonder zijn behandelaar is geweest. De krant beschrijft hem als een van de beste specialisten ter wereld op het gebied van dergelijke operaties.
Voor Koopmans is de medische behandeling een redding. Financieel is het een ramp. De hele geschiedenis kost hem 16.500 gulden. En wat hem misschien nog meer raakt dan het geld, is de houding van de mensen om hem heen.
Haat en nijd in de bokswereld
Tijdens zijn blessure merkt Koopmans hoe weinig zekerheid het bestaan van een beroepsbokser biedt.
Er is nauwelijks belangstelling voor zijn problemen. Niemand lijkt bereid hem financieel te helpen. Integendeel, overal hoort hij verhalen dat zijn carrière voorbij zou zijn.
Sommigen hebben hem al afgeschreven.
Het maakt hem bitter.
In de bokswereld, concludeert hij, is het ieder voor zich. De een gunt de ander weinig. Succes roept jaloezie op en tegenslag wordt soms bijna met genoegen ontvangen.
Koopmans leert voorzichtig te worden met de mensen die hij vertrouwt. Hij brengt meer regelmaat in zijn leven, kiest zijn vrienden zorgvuldiger en zoekt zekerheid bij een kleine kring van mensen om hem heen.
Een van hen is de Amsterdamse verzorger Heinz Polderman, die ook in het wielrennen actief is. Maar de belangrijkste les is misschien wel dat hij voortaan vooral op zichzelf moet vertrouwen. Want wie in de ring staat, kan uiteindelijk alleen zelf de klappen opvangen.
Een villa in West-Berlijn
Enkele jaren later treffen we Koopmans in West-Berlijn.
Hij is inmiddels een succesvolle beroepsbokser, maar de grote titel ontbreekt nog altijd.
Zijn manager is Willi Zeller, een vermogende bonthandelaar die in de Duitse hoofdstad grote boksgala's organiseert.
Wanneer journalist Cees van den Berg hem op vliegveld Tegel ontmoet, draagt Koopmans een zwart T-shirt met de opvallende tekst Eckhard Dagge Weltmeister. Hij heeft ook Henry Davies meegenomen, de Amerikaanse trainer van Dagge.
In een Volkswagen Kever rijdt het gezelschap door West-Berlijn. Koopmans praat honderduit over de bokssport. Hij ergert zich aan de situatie in Nederland, waar volgens hem te weinig gebeurt om het professionele boksen aantrekkelijk te maken.
Zozeer gaat hij op in zijn betoog dat hij de weg kwijtraakt. Maar uiteindelijk bereiken ze de villa van Zeller.
Bij de toegangspoort waarschuwt een bord voor gevaarlijke honden. Binnen blijkt het vermeende gevaar vooral te bestaan uit een grote, vriendelijke hond die de bezoekers kwispelend begroet.
Het is een bijna komisch tafereel. Maar achter de luxe van de villa gaat voor Koopmans een veel minder rooskleurige werkelijkheid schuil.
Een wereldkampioen is rijk, Koopmans niet
Zeller heeft zijn vermogen verdiend in de bonthandel.In het boksen steekt hij vooral geld uit liefhebberij.
Hij organiseert grote gala's in de Deutschlandhalle en heeft met Eckhard Dagge een wereldkampioen onder contract. Maar zelfs daarmee valt niet vanzelfsprekend geld te verdienen.
Volgens Koopmans heeft een wereldtitelgevecht van Dagge tegen Elisha Obed Zeller zelfs 170.000 gulden gekost.
Koopmans ontvangt van zijn manager een bescheiden gegarandeerd inkomen.
Het grootste deel van zijn verdiensten moet uit wedstrijden komen.
En juist daar wringt het.Hij is inmiddels 22 profpartijen ongeslagen gebleven en heeft zeventien tegenstanders knock-out geslagen. Maar hoe succesvoller hij wordt, hoe moeilijker het blijkt om tegenstanders te vinden.
Soms zeggen vier of vijf boksers achter elkaar af.
Niemand heeft veel belangstelling om tegen de sterke Nederlander de ring in te stappen wanneer er weinig te verdienen valt. Voor Koopmans is er maar één oplossing.
Een gevecht om de Europese titel.
Daarmee kan hij niet alleen sportief erkenning krijgen, maar ook eindelijk serieus geld verdienen.
De titel die maar niet komt
Koopmans begrijpt niet waarom hij nog altijd geen kans heeft gekregen om voor het Europees kampioenschap te boksen.
Hij vergelijkt zijn carrière met die van Eckhard Dagge. De twee zijn ongeveer gelijktijdig beroepsbokser geworden en hebben een vergelijkbaar aantal wedstrijden gevochten.
Maar Dagge is inmiddels wereldkampioen en verdient goed. Koopmans wacht nog altijd op zijn eerste grote titelgevecht.
Hij wijt dat niet alleen aan sportieve omstandigheden. Volgens hem spelen politieke belangen binnen de Europese Boks Unie een belangrijke rol.
Vooral de Franse invloed ergert hem.
Hij noemt de namen van Mateo en Tonna, twee Franse kandidaten die volgens hem ondanks allerlei problemen steeds opnieuw naar voren worden geschoven. De ene bokser is na een knock-out maandenlang uitgeschakeld. De andere komt na een verkeersongeval in aanraking met justitie.
Toch blijft Koopmans buiten beeld.
Het maakt hem woedend. Hij vindt dat hij voldoende heeft bewezen. En hij is ervan overtuigd dat hij een Europese kampioen kan verslaan.
Zelfs wanneer hij met oud-wereldkampioen Emile Griffith spart, krijgt hij naar eigen zeggen de bevestiging dat hij het niveau aankan.
Griffith is jarenlang een van de beste boksers ter wereld geweest. Koopmans verwacht veel van hem te kunnen leren. Maar tijdens de sparringpartij blijkt de Nederlander zelf de overhand te hebben. Voor hem is het opnieuw een bewijs dat hij klaar is voor de volgende stap. Hij hoeft niet langer alleen maar te leren. Hij wil eindelijk de kans krijgen om te winnen.
De jongen die altijd moest vechten
Achter dat zelfvertrouwen schuilt nog altijd de jongen uit Leeuwarden.
De kleine Rudi die op straat tegenover grotere jongens stond en ontdekte dat hij zich alleen met zijn vuisten kon handhaven. Hij vindt dat jonge boksers het tegenwoordig te gemakkelijk hebben.
Ze groeien op onder betere omstandigheden en missen volgens hem vaak de hardheid die nodig is om werkelijk de top te bereiken. Het is een opvatting die veel zegt over zijn eigen jeugd.
Maar ook over zijn kijk op de bokssport. Boksen is voor Koopmans nooit alleen een spel geweest.Het is een manier om vooruit te komen. Om erkenning te krijgen.
Om te bewijzen dat hij sterker is dan de omstandigheden waarin hij is opgegroeid.
Toch wil hij niet dat zijn zoon Bernhard dezelfde weg kiest. Hij weet inmiddels hoeveel offers een bokser moet brengen. En hoeveel onzekerheid daarbij hoort. De sport heeft hem veel gegeven, maar hem ook geleerd dat succes nooit vanzelfsprekend is.
Van de jager op een titel naar de man die hem moet verdedigen
In 1981 is de situatie volledig veranderd.
De bokser die jarenlang heeft geklaagd dat hij geen kans kreeg op een Europees titelgevecht, is inmiddels zelf Europees kampioen.
Wat hij in West-Berlijn in 1976 zo hartstochtelijk verlangde, heeft hij uiteindelijk bereikt.
Maar daarmee is het leven niet eenvoudiger geworden. De titel moet verdedigd worden. Steeds opnieuw.
En iedere uitdager ziet in Koopmans de man die verslagen moet worden.In sportschool Hoboken aan de Mathenesserlaan bereidt hij zich daarom opnieuw voor op een gevecht.
Ditmaal tegen Fred Serres.
De routine is vertrouwd. De inspanningen zijn zwaar. En de buitenwereld verwacht dat hij zijn titel behoudt. Koopmans heeft inmiddels ervaren dat het bereiken van de top iets anders is dan er blijven.
Vroeger vocht hij om een kans te krijgen. Nu vecht hij om te behouden wat hij heeft opgebouwd.
En dat blijkt minstens zo veeleisend.
Wat moet een bokser zonder boksen?
De vraag die boven zijn carrière hangt, is inmiddels niet langer alleen of hij nog kan winnen.
Het is ook hoe lang hij hiermee door wil gaan.
Koopmans heeft zijn leven ingericht rond de bokssport. Vanaf zijn elfde heeft hij vrijwel niets anders gedaan dan trainen, werken en vechten. Hij is chauffeur geweest, heeft in Duitsland gewoond, blessures overwonnen en jarenlang moeten wachten op de erkenning die hij verdiende.
Nu hij eindelijk heeft bereikt wat hij wilde, wordt stoppen een steeds ingewikkelder gedachte.
Want wat blijft er over wanneer de wedstrijden verdwijnen? Wanneer er geen trainingen meer zijn, geen tegenstanders en geen titel die verdedigd moet worden?
In zijn jonge jaren wist Koopmans precies wat hij wilde.
Europees kampioen worden.
Maar in 1981 is die droom werkelijkheid geworden. En daarmee dient zich een nieuwe vraag aan. Niet hoe hij de top moet bereiken. Maar hoe hij er ooit weer afscheid van moet nemen.
De hardste klappen vallen buiten de ring
Het verhaal van Rudi Koopmans is daarmee meer dan de geschiedenis van een succesvolle Nederlandse bokser.
Het is het verhaal van een jongen die op straat leerde vechten, die als amateur tegen de grenzen van de reglementen aanliep en die als professional ontdekte hoe hard de wereld buiten de ring kon zijn.
Een gebroken hand kostte hem bijna zijn carrière. De behandeling kostte hem duizenden guldens. Managers, bonden en promotors bepaalden jarenlang wanneer hij wel of niet voor een titel mocht boksen.
Maar Koopmans bleef doorgaan. Omdat hij overtuigd was van zijn eigen kunnen. Omdat hij niet wilde verliezen. En misschien vooral omdat boksen inmiddels meer was geworden dan zijn beroep.
Het was zijn identiteit.
In West-Berlijn had hij ooit gezegd dat een bokser die aan zichzelf twijfelt beter thuis kan blijven. Jaren later, in de Rotterdamse sportschool, lijkt dat zelfvertrouwen nog altijd aanwezig. Maar inmiddels heeft Koopmans ook ontdekt dat er een vraag bestaat waarop zelfs een kampioen niet gemakkelijk antwoord kan geven.
Wat blijft er van een bokser over wanneer hij niet meer bokst?

COMMENTS